Bewonersvraag


Wat mag men al dan niet doen als men een inbreker in huis betrapt? ( zie ook nieuwsbrief Mei 2008)

 

Wettelijke zelfverdediging

  • INLEIDING

Omtrent wettige verdediging zijn er heel wat vragen en ook misverstanden. Wanneer mag ik mezelf verdedigen? Moet ik eerst een slag in mijn gezicht ontvangen alvorens er een terug te geven? Wat mag en wat mag niet? Het is allemaal niet zo duidelijk.
Onderstaande tekst behandelt de wetgeving omtrent zelfverdediging. De praktijk is echter een stukje ingewikkelder en elke situatie is anders.

Men kan je geen pasklaar antwoord bieden op vragen zoals "wat is het gevolg indien ik mezelf verdedig?"en men belandt vaak in een grijze zone.

Bovendien ga je niet de tijd hebben om na te denken over wetgeving indien je plots wordt aangevallen in een donkere steeg.

Elk voorval wordt apart onderzocht. Wordt er klacht ingediend, wie zijn de betrokken personen, zijn er getuigen, wat zeggen de getuigen, is er nog ander bewijsmateriaal, enzovoorts. Uiteindelijk is het de rechter die bepaalt of je hebt gehandeld zoals een goede huisvader en uiteindelijk over jouw lot beslist.

Toch is het belangrijk dat we allen kennis hebben van enkele basisregels omtrent wettelijke (zelf)verdediging.

  • SITUERING “WETTIGE ZELFVERDEDIGING”.

Wettige verdediging is een rechtvaardigingsgrond.

Ons strafrecht is een schuldstrafrecht, dit wil zeggen dat naast de daad, materieel bestanddeel genoemd, ook een zeker bewustzijn in hoofde van de dader moet bestaan, psychologisch bestanddeel genoemd.

Als beide verenigd zijn, dus als iemand welbewust de strafwet overtreedt, spreken wij van een misdrijf.

Er zijn echter omstandigheden welke de gepleegde feiten het karakter van misdrijf ontnemen. Die omstandigheden noemen wij rechtvaardigingsgronden.

Door de rechtvaardigingsgronden is het gepleegde feit geen misdrijf meer, daardoor zullen de personen die hebben deelgenomen aan de feiten niet strafbaar zijn.

  • OPSOMMING VAN RECHTVAARDIGINGSGRONDEN

 

3.1 GEBOD VAN DE WET EN BEVEL VAN DE OVERHEID

Wordt geregeld door Art.70 S.W.B.:

Er is geen misdrijf wanneer het feit door de wet is voorgeschreven en door de overheid bevolen is.

Bv. de opgevorderde slotenmaker die een deur openbreekt opdat een huiszoeking zou kunnen verricht worden

Bv. bij voltrekking bij ter doodveroordeling is de beul niet schuldig aan moord.

3.2 DE NOODTOESTAND

 

Dit is de enige rechtvaardigingsgrond die niet bepaald is bij de wet, maar die ontstaan is in de rechtspraak.

De noodtoestand is de situatie waarin een persoon verkeert, die gesteld tegenover een voor hem of voor derden ernstig en dringend kwaad, de bepalingen van de strafwet schendt ten einde rechtsbelangen of rechtsgoederen te vrijwaren die hij gerechtigd was of tot plicht had boven anderen te stellen.
Bv. een brandweerman die, om personen en / of goederen te beveiligendie door brand worden bedreigd, de afsluiting van een naburig gebouw beschadigt of vernielt. Opm. Het is vanuit het begrip noodtoestand dat het aanwenden van geweld door politieambtenaren tegen personen mits wettige redenen gerechtvaardigd kan worden geacht.

3.3. DE WETTIGE (ZELF)VERDEDIGING

Dit is het recht tot afweer van onrecht, dit is een rechtvaardigingsgrond die als het ware een overblijfsel is uit de oertijd.
Deze rechtsfiguur wordt door sommige rechtsgeleerden niet alleen aanzien als een recht maar zelfs als een plicht gefundeerd op het sociale belang en de verdediging van de maatschappij.

3.3.1. TOEPASSELIJKE WETTEKSTEN

Art.416 S.W.B.


Er is noch misdaad noch wanbedrijf wanneer de doodslag, de verwondingen en de slagen geboden zijn door de ogenblikkelijke noodzaak van wettige verdediging van zichzelf of van een ander.

Art.417 S.W.B.

Onder de gevallen van ogenblikkelijke noodzaak van de verdediging worden de twee volgende gevallen begrepen :

1. Wanneer de doodslag gepleegd wordt, wanneer de verwondingen of slagen toegebracht worden bij het afweren bij nacht van de beklimming of de braak van de afsluitingen, muren of toegangen van een bewoond huis of appartement of de aanhorigheden ervan, behalve wanneer de dader niet kon geloven aan een aanranding van personen, hetzij als rechtstreeks doel van hij die poogt in te klimmen of in te breken, hetzij als gevolg van de weerstand welke diens voornemen mocht ontmoeten.

2. Wanneer het feit plaats heeft bij het zich verdedigen tegen de daders van diefstal of plundering die met geweld tegen personen wordt gepleegd.

Opm. Doodslag, slagen of verwondingen tegen een inbreker bij dag wordt niet gerechtvaardigd door art.417 S.W.B. wel zal niet de gewone straf uitgesproken worden omdat men de omstandigheid zal kenmerken als een strafverminderende verschoningsgrond

3.3.2. ALG. VOORWAARDEN VOOR WETTIGE VERDEDIGING

Opdat iemand die een misdrijf heeft gepleegd de wettige verdediging zou kunnen inroepen om zijn gedragingen te rechtvaardigen en het strafbaar karakter ervan aldus te doen wegvallen, moeten de volgende voorwaarden vervuld zijn.

a) de aanranding moet gericht zijn tegen personen

De rechtvaardiging kan ingeroepen worden zowel voor de eigen verdediging, als voor de verdediging van eigen personen.
Wettige zelfverdediging kan ook aangewend worden bij de verdediging tegen aanvallen op de persoonlijke vrijheid of bij bescherming van de eerbaarheid.
De bescherming van goederen valt buiten het toepassingsveld van de wettige verdediging.

Het geval van art. 417 S.W.B. is geen echte uitzondering aangezien wij altijd moeten kunnen geloven in een aanval tegen personen, het geval van art. 417 laat enkel een vermoeden van noodzakelijkheid van afweer rijzen.

b) de aanranding moet wederrechtelijk zijn

Zo kan de aanrander die op weerstand stuit van de aangerande persoon zelf geen wettige verdediging inroepen tegen het slachtoffer dat zich verzet.
Men is evenmin gerechtigd zich te verweren tegen het rechtmatig optreden van de overheidsagent, zoals bijvoorbeeld bij uitvoering van een bevel tot aanhouding of tot medebrenging.

Wel wordt verzet tegen onwettige handelingen van de overheid aanvaard, wanneer deze handelingen kennelijk onwettig zijn.

3. Het verweer moet ogenblikkelijk zijn

De aanval die zich aan het voltrekken is of deze die onmiddellijk dreigend is.

Daarentegen is er geen wettelijke zelfverdediging wanneer het een toekomstig of een eventueel gevaar betreft noch als de aanranding reeds afgelopen is.
In het eerste geval zou het kunnen gaan om een daad van wraakneming en in het laatste geval zou de reactie van het slachtoffer te voorbarig zijn. In deze gevallen echter zouden wel verzachtende omstandigheden of strafverminderende verschoningsgronden in aanmerking kunnen genomen worden.


4. Het verweer moet noodzakelijk zijn

Het is niet vereist dat de aanranding levensgevaarlijk zou zijn, toch moet zij voldoende ernstig zijn om een onmiddellijk en gewelddadig verweer als noodzakelijk te doen voorkomen.

Verder mogen er voor de aangevallene in redelijkheid geen andere wegen openstaan dan een gewelddadige verdediging.
Indien de aangerande persoon tijdig beroep kan doen op hulp van de overheid, zou de noodzaak van een ogenblikkelijk verweer eventueel in twijfel kunnen getrokken worden, men is echter niet verplicht te vluchten, ook al was dit mogelijk.
De aanval is dus al begonnen of staat op het punt om uitgevoerd te worden en er is geen mogelijkheid om tijdig de hulp van de overheid in te roepen noch de mogelijkheid om het gevaar op een andere wijze af te weren.

5. De afweer moet in verhouding staan tot de aanval

De verdediging door bijvoorbeeld doding, wanneer redelijkerwijze lichte verwondingen hadden volstaan is niet noodzakelijk.

Deze verhouding niet in acht nemen komt neer op rechtsmisbruik en houdt zelf een aanval in.

Die evenredigheidseis moet echter met realiteitszin beoordeeld worden. Alleszins kan de onrechtmatigheid van de aanranding als verzachtende omstandigheid of als verschoningsgronden gelden voor diegene die het evenredigheidsprincipe zou miskend hebben. Bovendien zal alleen de manifeste en ondubbelzinnige wanverhouding in de praktijk tot strafvervolging aanleiding geven.


Bovenstaande 5 punten zijn de constitutieve elementen van wettige verdediging. In sommige lectuur vat men punt 3 en 4 samen in één punt, namelijk de ogenblikkelijke noodzaak van verdediging. In feite komt er nog één extra voorwaarde bij te pas, nl. dat aan al deze voorwaarden tegelijk moet voldaan worden om te kunnen spreken over wettige verdediging. Wordt er m.a.w. aan één van bovenstaande voorwaarden niet voldaan, dan zal men zich niet kunnen beroepen op wettige verdediging.